Voor werknemers die het hele jaar het openbaar vervoer gebruiken voor de verplaatsing naar en van het werk, geldt een belastbaar voordeel dat wordt bepaald op 5.000 km. Fiscaal bestaat er geen cumulverbod tussen een werkgeverstussenkomst voor het woon-werkverkeer met een bedrijfswagen en een tussenkomst voor verplaatsingen met het openbaar vervoer. Met andere woorden: werknemers mogen een firmawagen hebben en toch een sociaal abonnement terugbetaald krijgen om met het openbaar vervoer van en naar het werk te gaan.
Indien de werknemer met zijn bedrijfswagen tot aan de opstapplaats van het openbaar vervoer rijdt en daarna het openbaar vervoer gebruikt voor de rest van het woon-werktraject, wordt het belastbaar voordeel bepaald op:
De afstand van de woonplaats tot aan de plaats van tewerkstelling doet hier dus niet ter zake voor de bepaling van het belastbaar voordeel van de werknemer.
Bij de betaling van een sociaal abonnement voor het openbaar vervoer zijn er twee mogelijkheden:
- De werknemer koopt een abonnement voor het openbaar vervoer en de werkgever betaalt deze kostprijs terug.
- De werkgever betaalt het sociaal abonnement van zijn werknemer rechtstreeks aan de diensten van het openbaar vervoer.
Bijvoorbeeld: een werknemer neemt de trein van Beveren naar Antwerpen. Zijn werkgever betaalt de kosten voor het treinabonnement rechtstreeks aan de NMBS. Dit systeem wordt het “derdebetalerssysteem” genoemd. De vergoeding die door de werkgever wordt betaald, heeft enkel betrekking op de kosten voor het openbaar vervoer. Enkel in het geval van terugbetaling van het abonnement voor het openbaar vervoer, zal deze vergoeding worden verhoogd met een forfait van 250 euro (350 euro voor de inkomsten uit het jaar 2009) ndien de werknemer geen werkelijke beroepskosten bewijst.
Bron: Vraag nr. 214 van de heer Raf Terwingen van 19 januari 2009, Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 52, p. 116.