Als een zieke bruggepensioneerde voor uitkeringen van de mutualiteit kiest, heeft hij geen recht meer op werkloosheidsuitkeringen. In dit geval is zijn werkgever ook niet langer verplicht om de aanvullende vergoeding door te betalen.
Bruggepensioneerden ontvangen zowel een aanvullende vergoeding (betaald door de werkgever, een fonds of een derde) als een werkloosheidsuitkering (betaald door de RVA).
Als de bruggepensioneerde het werk hervat in loondienst of als zelfstandige in hoofdberoep bij een andere werkgever of een andere groep, moet zijn oude werkgever (of het fonds of derde) de aanvullende vergoeding blijven doorbetalen. Wanneer de bruggepensioneerde opnieuw bij dezelfde werkgever of groep aan de slag gaat, geldt deze verplichting niet. Als de werkgever in dit geval de aanvullende vergoeding toch verder wenst uit te betalen, wordt deze beschouwd als loon. Op dit bedrag moeten dan de normale socialezekerheidsbijdragen worden betaald.
Wat bij zieke bruggepensioneerden?
Als een zieke bruggepensioneerde voor uitkeringen van de mutualiteit kiest, heeft hij geen recht meer op werkloosheidsuitkeringen. In dit geval is zijn werkgever ook niet langer verplicht om de aanvullende vergoeding door te betalen. Als de werkgever dit bedrag toch wil blijven betalen, zal deze vergoeding niet langer beschouwd worden als een ‘aanvullende vergoeding brugpensioen’, maar moet ze eerder gekwalificeerd worden als een aanvulling bij de ziekte-uitkering van de mutualiteit. Deze aanvulling is dan vrij van socialezekerheidsbijdragen.
Wat bij zieke pseudobruggepensioneerden?
Pseudobruggepensioneerden, of ook canada dry'ers genoemd, zijn ex-werknemers van minstens 50 jaar die door hun werkgever zijn ontslagen, maar niet voldoen aan de voorwaarden om op brugpensioen te kunnen gaan. Zij krijgen van hun werkgever een aanvullende vergoeding bovenop hun werkloosheidsuitkering.
Als deze personen ziek worden, is de werkgever niet verplicht om de aanvullende vergoeding door te betalen, tenzij hij zichzelf daartoe verbonden heeft. Als de werkgever tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid de aanvullende vergoeding toch doorbetaalt, moeten er op dat bedrag bijzondere socialezekerheidsbijdragen worden betaald. Deze aanvullende vergoeding blijft immers een ‘canada dry-vergoeding’ waarop dezelfde bijzondere patronale bijdragen en werknemersinhouding (6,5%) van toepassing zijn als tijdens een periode van werkloosheid. [1]
De maandelijkse werknemersinhouding van 6,5% gebeurt op de aanvullende vergoeding en de werkloosheidsuitkering die de pseudobruggepensioneerde zou ontvangen hebben als hij niet ziek was geweest.
De RSZ past deze regel ook toe als de betrokkene bij de aanvang van het canada dry-stelsel onmiddellijk ziekte-uitkeringen ontvangt.
Op elk brugpensioeninkomen wordt een werknemers-inhouding van 3,5% verricht die bestemd is voor de RVP. Tot 31 maart 2010 werd deze inhouding enkel verricht op de werkloosheidsuitkering én de aanvullende vergoedingen die werden toegekend op basis van een CAO (de nationale CAO 17, een sectorale CAO of een ondernemings-CAO). Aanvullende vergoedingen die werden toegekend op basis van een individueel akkoord bleven hierbij buiten schot.
Dezelfde regel gold voor de werknemersinhouding van 3%, die door de RVA op de werkloosheidsuitkering werd ingehouden.
Vanaf 1 april 2010 worden deze twee inhoudingen (RVP-inhouding van 3,5% en RVA-inhouding van 3%) gebundeld tot één inhouding van 6,5%. Deze gezamenlijke inhouding wordt berekend op het totale brugpensioeninkomen, inclusief de aanvullende vergoedingen die worden toegekend op basis van een individueel akkoord.
De berekeningsbasis voor de inhouding van 6,5% is dus voortaan verruimd, wat voor een beperkte groep van bruggepensioneerden helaas tot inkomensverlies leidt.