Wanneer een werkgever en een werknemer een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd willen opstellen, zijn er geen specifieke vormvereisten of administratieve verplichtingen noodzakelijk. Zo volstaat een loutere wilsovereenstemming tussen de beide partijen, zodat de arbeidsovereenkomst zelfs mondeling kan worden afgesloten.
Voor een arbeidsovereenkomst bij deeltijdse prestaties gelden echter andere regels. Zulke arbeidsovereenkomst moet schriftelijk worden opgesteld voor iedere afzonderlijke werknemer, en dit uiterlijk op het moment waarop die met de deeltijdse arbeid begint.
In deze schriftelijke arbeidsovereenkomst moeten de deeltijdse arbeidsregeling en het werkrooster worden vermeld. De deeltijdse arbeidsregeling is het aantal uren dat per week of per referteperiode (bv. een trimester) moet gepresteerd worden. Het werkrooster geeft een overzicht van de dagen en uren waarop er moet gewerkt worden.
Daarnaast moet er een kopie van de arbeidsovereenkomst worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden. Deze kopie moet door beide partijen zijn ondertekend en tevens het uurrooster en de identiteit van de desbetreffende werknemer bevatten.
Als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst werd gesloten, of wanneer het uurrooster en de arbeidsduur niet in de overeenkomst zijn opgenomen, kan de werknemer deze kiezen uit de arbeidsregelingen en werkroosters die in het arbeidsreglement zijn voorzien. Indien het arbeidsreglement ontbreekt, kan de werknemer een keuze maken uit de regelingen die hij kan afleiden uit het personeelsregister en de individuele rekeningen.
Als de werkgever deze administratieve verplichtingen niet vervult, kan hij behoorlijke sancties oplopen. Naast de strafrechtelijke en administratieve sancties bestaat ook “het vermoeden van voltijdse arbeid”. Dit betekent dat men van een deeltijdse werknemer vermoedt dat hij voltijdse arbeidsprestaties verricht als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst bestaat om die deeltijdse prestaties aan te tonen. Dit vermoeden is in principe onweerlegbaar. Bij een controle kan de sociale inspectie dus socialezekerheidsbijdragen vorderen op basis van een voltijdse tewerkstelling, en dit voor de hele tewerkstellingsperiode.
Er is slechts één uitzondering hierop mogelijk. Zo geldt dit vermoeden niet als de inspectiediensten vaststellen dat het materieel onmogelijk is om voltijdse prestaties te leveren. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een student die tijdens het weekend werkt en van wie vaststaat dat hij in de week les volgt.
Het “vermoeden van voltijdse arbeid” werd ingesteld om sociale fraude te bestrijden. Het geldt dus enkel ten voordele van de inspectiediensten, en niet van de werknemer zelf. Die deeltijdse werknemer kan dus geen voltijds loon opeisen als de regels rond de openbaarmaking van de werkroosters niet werden nageleefd. In dat geval zal hij moeten kunnen bewijzen dat hij effectief voltijds gewerkt heeft.