Vanaf 1 april 2010 zijn de bijdragen op de aanvullende vergoeding brugpensioen geharmoniseerd. De forfaitaire werkgeversbijdragen zijn vervangen door procentuele bijdragen. Alle bijdragen en inhoudingen zijn voortaan ook gecentraliseerd bij de RSZ via de DMFA-aangifte. De rol van de RVA en de RVP houdt op te bestaan.
De aanleiding van de hervormingen: het Generatiepact
In 2005 vaardigde de Belgische overheid het Generatiepact uit. Een van de doelstellingen van dit akkoord was om oudere werknemers langer aan de slag te houden of zelfs terug aan het werk te krijgen. Vervroegde uitstapregelingen zoals brugpensioen, canada dry en tijdskrediet werden dan ook ontmoedigd.
Wat betreft het brugpensioen opteerde men voor een dubbele aanpak. Door het verscherpen van de voorwaarden rond de leeftijd en het beroepsverleden van de werknemer werd het moeilijker om op brugpensioen te gaan. Daarnaast werden de kosten op sociaal en fiscaal vlak verhoogd.
De meerderheid van deze beslissingen werden reeds in 2006 in de wetgeving opgenomen. Maar tot op heden was het nog wachten op de nieuwe regeling rond de socialezekerheidsbijdragen. Deze regelgeving is nu afgerond en treedt vanaf 1 april 2010 in werking.
Dit betekent concreet dat vanaf 1 april de vroegere inhoudings- en bijdragereglementeringen op brugpensioen niet meer bestaan. U vindt een gedetailleerde uitleg van de nieuwe regels in dit artikel.
Deel I: Voltijds brugpensioen
De aanvullende vergoeding
De nieuwe bijdrageregeling is van toepassing op de aanvullende vergoedingen die worden toegekend aan werknemers die zijn ontslagen met het oog op een voltijds brugpensioen. Ze geldt zowel voor de lopende als nieuwe brugpensioenen.
Nieuwe brugpensioenen hebben betrekking op werknemers wiens opzegging of verbreking werd betekend na 15 oktober 2009 én waarvan het brugpensioenstelsel aanvangt na 31 maart 2010.
Als aan één van beide voorwaarden niet is voldaan, spreekt men van een lopend brugpensioen. Het ontslag werd hier dus betekend vóór 16 okober 2009 of het brugpensioenstelsel is vóór 1 april 2010 beginnen lopen.
Elk bedrag dat, naast de werkloosheidsuitkering, als toeslag aan de bruggepensioneerde wordt uitgereikt, maakt deel uit van de aanvullende vergoeding. Volgende zaken zijn hierbij niet van belang: de vorm, de benaming, het tijdstip van uitbetaling (maandelijks, per kwartaal, jaarlijks), de berekingswijze, de betalingswijze, de bron en de identiteit van de debiteur.
Ook aanvullende vergoedingen die blijven betaald worden als een bruggepensioneerde tijdelijk het werk hervat, worden beschouwd als een aanvulling bij het brugpensioen.
Werkgeversbijdragen
De bijzondere werkgeversbijdrage
De vroegere forfaitaire bijzondere werkgeversbijdrage brugpensioen (RVP: 24,80 euro en RVA: 49,58 euro) houdt op te bestaan. Ze wordt vervangen door een maandelijkse procentuele bijdrage die wordt berekend op het volledige brutomaandbedrag van de aanvullende vergoeding.
Deze procentuele bijdrage is afhankelijk van:
- de leeftijd van de bruggepensioneerde
- de aanvangsdatum van het brugpensioen, in combinatie met de betekeningsdatum van het ontslag (lopend of nieuw)
- de categorie waartoe de werkgever behoort: profit of non-profit
- de formulering van de overeenkomst die de aanvullende vergoeding bij brugpensioen regelt: overeenkomst OK of niet OK
- voor ondernemingen uit de profitsector: het feit dat de onderneming eventueel erkend is als in moeilijkheden of in herstructurering.
Het bedrag van de bijdrage mag niet lager zijn dan een forfaitaire minimumbijdrage. Deze kan eveneens verdubbelen volgens dezelfde criteria als de procentuele bijdrage.
Periode van betaling: drie mogelijke situaties
In principe betaalt de werkgever niet alleen een aanvullende vergoeding brugpensioen tijdens periodes van werkloosheid, maar ook tijdens periodes waarin de bruggepensioneerde het werk hervat. Die werkhervatting kan er een zijn van
type 1 of van type 2.
De periode waarin de betaling gebeurt, is eveneens bepalend om de bijzondere werkgeversbijdrage te berekenen.
We kunnen hierbij drie periodes onderscheiden:
- een periode van werkloosheid
- een periode van werkhervatting type 1
- een periode van werkhervatting type 2
1) Tijdens een periode van werkloosheid
Indien de overeenkomst waarop de aanvullende vergoeding steunt OK is, wordt het toepasselijke werkgeverspercentage berekend op het maandelijkse brutobedrag van de aanvullende vergoeding.
Hierbij moet wel rekening gehouden worden met het minimumbedrag van de bijdrage.
Is de overeenkomst niet OK, dan wordt de berekeningsbasis van de bijdrage verdubbeld. Maw: het brutobedrag van de aanvullende vergoeding wordt verdubbeld. Op dit resultaat wordt de bijdrage berekend. Ook het minimumbedrag van de bijdrage verdubbelt.
Let op!
Het is best mogelijk dat een deel van de aanvullende vergoeding steunt op een overeenkomst die OK is, terwijl een ander deel steunt op een overeenkomst die niet OK is. De berekening van de werkgeversbijdrage zal op elk afzonderlijk deel gebeuren, volgens de toepasselijke regel (al dan niet verdubbeling van de berekeningsbasis). De minimumbijdrage wordt verhoudingsgewijs toegepast.
2) Tijdens een periode van werkhervatting type 1
Ongeacht het feit of de overeenkomst al dan niet OK is, zal de aanvullende vergoeding die tijdens de werkhervatting wordt doorbetaald, vrijgesteld zijn van de bijzondere werkgeversbijdrage.
Door deze vrijstelling van bijdragen en inhoudingen stimuleert men de werkhervatting van bruggepensioneerden bij een andere werkgever.
3) Tijdens een periode van werkhervatting type 2
Indien de werkgever de aanvullende vergoeding doorbetaalt tijdens een periode van werkhervatting type 2 zal de vergoeding tijdens de totale duur van deze werkhervatting als loon onderworpen worden.
Sanctie
De
debiteur die zijn aangifteverplichting niet of slechts gedeeltelijk nakomt, moet bovenop de bijzondere werkgeversbijdrage brugpensioen een forfaitair bedrag betalen.
Het bedrag is verschuldigd aan de RSZ en bedraagt maandelijks 150 euro voor werkgevers uit de profitsector, en maandelijks 25 euro voor werkgevers uit de non-profitsector.
De bijzondere compenserende bijdrage
Er wordt maandelijks een bijdrage berekend op de aanvullende vergoeding voor elk brugpensioen vanaf 56 jaar op basis van het tijdelijk sectoraal brugpensioenstelsel voor arbeidsongeschikte bouwvakkers (PC 124) of werknemers die 20 jaar lang ’s nachts in een ploegenstelsel hebben gewerkt. Deze werknemers moeten wel een beroepsverleden van 33 jaar kunnen aantonen.
Ook deze forfaitaire bijdrage houdt op te bestaan en wordt vervangen door een maandelijkse procentuele bijdrage.
Deze maandelijkse bijdrage bedraagt:
- 50% van de aanvullende vergoeding zoals voorzien in de sectorale CAO
- 33% van de aanvullende vergoeding zoals voorzien in de sectorale CAO, indien de vervanger van de bruggepensioneerde minstens één jaar volledig uitkeringsgerechtigd werkloos was.
De bijdrage is verschuldigd tot en met de maand waarin de bruggepensioneerde 58 jaar wordt.
Aanvullende vergoedingen die zijn toegekend op basis van een ondernemings-CAO en/of individuele akkoorden zijn niet onderworpen aan deze bijdrage.
Bijzondere compenserende bijdrage niet meer verschuldigd voor nieuwe brugpensioenen
De bijzondere compenserende bijdrage is niet meer verschuldigd voor nieuwe brugpensioenen. Dit zijn de brugpensioenen die betrekking hebben op werknemers wiens opzegging of verbreking werd betekend na 15 oktober 2009 én waarvan het brugpensioenstelsel aanvangt na 31 maart 2010.
De bijzondere compenserende bijdrage is dus enkel nog verschuldigd voor een beperkt aantal lopende brugpensioenen.
Ook hier zijn drie situaties mogelijk:
- periodes van werkloosheid
- periodes van werkhervatting type 1
- periodes van werkhervatting type 2
1) Tijdens een periode van werkloosheid
Voor de bijzondere compenserende werkgeversbijdrage is het niet relevant of de overeenkomst OK is of niet. Er is hier geen sprake van een verdubbeling van de berekeningsbasis van de bijdrage.
Tijdens een periode van werkloosheid is de bijdrage van 50% of 33% steeds verschuldigd op de sectorale aanvullende vergoeding.
2) Tijdens een periode van werkhervatting type 1
Ongeacht het feit of de overeenkomst al dan niet OK is, zal de sectorale aanvullende vergoeding die wordt doorbetaald tijdens de werkhervatting vrijgesteld zijn van de bijzondere compenserende werkgeversbijdrage.
3) Tijdens een periode van werkhervatting type 2
Indien de werkgever de aanvullende vergoeding doorbetaalt tijdens een periode van werkhervatting type 2, zal de vergoeding tijdens de totale duur van deze werkhervatting als loon onderworpen worden.
Werknemersinhouding
Maandelijks inhoudingspercentage
Er wordt maandelijks een inhouding verricht op de aanvullende vergoeding van de bruggepensioneerde.
De vroegere werknemersinhouding van 3% (of 1%) en 3,5% is nu gefusioneerd tot een inhouding van 6,5% (of 4,5%) bij de werkgever of debiteur van de aanvullende vergoeding.
De percentages worden berekend op het totale inkomen van de bruggepensioneerde.
Minimuminkomen
De inhouding mag er echter niet toe leiden dat het totale brugpensioeninkomen tot onder een bepaalde grens zakt. Momenteel ligt die grens op:
- 1.505,13 euro voor iemand met gezinslast
- 1.249,57 euro voor iemand zonder gezinslast
Let op!
De bruggepensioneerde moet een wijziging van zijn gezinstoestand tijdig melden aan zijn uitbetalingsinstelling. Een laattijdige mededeling van het feit dat de gezinslast wegvalt, is met terugwerkende kracht van toepassing vanaf de effectieve wijziging.
Als de debiteur na het toepassen van de inhouding vaststelt dat het totale inkomen beneden de toepasselijke grens zakt, zal hij de inhouding niet of slechts gedeeltelijk verrichten.
Inhouding ook afhankelijk van de periode
De betaling van de aanvullende vergoeding kan tijdens verschillende soorten periodes gebeuren. Die periode is eveneens bepalend om de inhouding te berekenen.
Er zijn drie periodes te onderscheiden:
- een periode van werkloosheid
- een periode van werkhervatting type 1
- een periode van werkhervatting type 2
1) Tijdens een periode van werkloosheid
Indien de overeenkomst waarop de aanvullende vergoeding steunt OK is, wordt het toepasselijke inhoudingspercentage berekend op het totale inkomen van de bruggepensioneerde.
Indien de overeenkomst niet OK is, wordt de berekeningsbasis (uitkering + aanvullende vergoeding) van de inhouding verdubbeld. Let wel: de minimuminkomensgrens verdubbelt niet!
Let op!
Het is mogelijk dat een deel van de aanvullende vergoeding steunt op een overeenkomst die OK is, terwijl een ander deel steunt op een overeenkomst die niet OK is. De berekening van de inhouding zal op elk afzonderlijk deel gebeuren volgens de toepasselijke regel (al dan niet verdubbeling van de berekeningsbasis). De sociale uitkering wordt verhoudingsgewijs verdeeld over de aanvullende vergoedingen.
2) Tijdens een periode van werkhervatting type 1
Ongeacht het feit of de overeenkomst al dan niet OK is, zal de aanvullende vergoeding die wordt doorbetaald tijdens de werkhervatting vrijgesteld zijn van inhoudingen.
Let op!
De begunstigde deelt de periodes van werkhervatting en het einde van de werkhervatting zo snel mogelijk mee aan de debiteur.
Brengt hij de debiteur niet op de hoogte van de stopzetting van de werkhervatting, dan mag de debiteur de persoonlijke bijdragen recupereren bij de begunstigde.
3) Tijdens een periode van werkhervatting type 2
Indien de werkgever de aanvullende vergoeding doorbetaalt tijdens een periode van werkhervatting type 2, zal de vergoeding tijdens de totale duur van deze werkhervatting als loon onderworpen worden.
Deel II: Halftijds brugpensioen
De aanvullende vergoeding
De nieuwe bijdrageregeling is van toepassing op de aanvullende vergoedingen die worden toegekend aan werknemers in het kader van halftijds brugpensioen. Ze geldt zowel voor de lopende als nieuwe brugpensioenen.
Elk bedrag dat, naast de werkloosheidsuitkering, als toeslag aan de werknemer wordt uitgereikt in het kader van halftijds brugpensioen, maakt deel uit van de aanvullende vergoeding. Volgende zaken zijn hierbij niet van belang: de vorm, de benaming, het tijdstip van uitbetaling (maandelijks, per kwartaal, jaarlijks), de berekingswijze, de betalingswijze, de bron en de identiteit van de debiteur.
Geen werkgeversbijdrage
Er zijn geen werkgeversbijdragen verschuldigd op de aanvullende vergoeding in het kader van halftijds brugpensioen.
Werknemersinhouding
Er wordt maandelijks een inhouding van 4,5% uitgevoerd op de aanvullende vergoeding van de halftijds bruggepensioneerde.
De inhouding wordt berekend op de som van de sociale uitkering en het totale bedrag van de aanvullende vergoeding.
De inhouding mag er echter niet toe leiden dat het totale brugpensioeninkomen tot onder een bepaalde grens zakt. Momenteel ligt die grens op:
- 752,57 euro voor een werknemer met gezinslast
- 624,79 euro voor een werknemer zonder gezinslast
Let op!
De halftijds bruggepensioneerde moet een wijziging van zijn gezinstoestand tijdig melden aan zijn uitbetalingsinstelling. Een laattijdige mededeling van het feit dat de gezinslast wegvalt, is met terugwerkende kracht van toepassing vanaf de effectieve wijziging.
Als de debiteur na het toepassen van de inhouding vaststelt dat het totale inkomen beneden de toepasselijke grens zakt, zal hij de inhouding niet of slechts gedeeltelijk verrichten.
Deel III: Administratieve verplichtingen
Bij de aanvang van een brugpensioen moeten zowel de werkgever als de bruggepensioneerde enkele administratieve verplichtingen vervullen.
Bron: Titel XI, hoofdstuk 6 van de wet van 27 december 2006 zoals gewijzigd door de programmawet van 23 december 2009 en de wet houdende diverse bepalingen van 30 december 2009, wetsontwerp houdende diverse bepalingen (kamerdocument 522423/16 artikel 119 tot 122), Koninklijk Besluit van 29 maart tot uitvoering van het hoofdstuk 6 van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (1), Belgisch Staatsblad van 31 maart 2010 en ontwerpbesluit tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 29 maart 2010.