Aanvullende vergoedingen: wat met kapitalisaties?

(21/04/2010) tags brugpensioen canada dry einde loopbaan generatiemanagement generatiepact halftijds brugpensioen leeftijdsbewust personeelsbeleid oudere werknemers
Bij kapitalisaties gelden andere regels om de werkgeversbijdragen en werknemersinhoudingen te bepalen. Om in deze situaties de correcte bedragen te berekenen, wordt een theoretisch maandbedrag bepaald dat nadien over de hele periode wordt uitgespreid.

Wat is een kapitalisatie?

Ontslagen werknemers die op brugpensioen gaan of van een Canada Dry-stelsel genieten, ontvangen naast hun werkloosheidsuitkering ook vaak nog een aanvullende vergoeding. Deze aanvullende vergoeding wordt door hun ex-werkgever uitbetaald tot het moment waarop de werknemers de pensioenleeftijd bereiken.
Werknemers die in tijdskrediet gaan, krijgen van hun werkgever soms ook nog een aanvullende vergoeding uitgekeerd voor de periodes waarin ze niet werken. Die aanvulling wordt betaald tot het moment dat het recht op de onderbrekingsuitkeringen eindigt.
 
Al deze aanvullende vergoedingen worden meestal op maandelijkse basis aan de betrokken werknemer uitbetaald.
 
De werkgever kan er echter ook voor kiezen om aanvullende vergoedingen op een andere manier uit te betalen. Zo kan men het totale bedrag in één keer uitbetalen op het moment dat de werknemer uit dienst gaat. Men kan bijvoorbeeld ook jaarlijks een extra som overmaken, naast de maandelijkse aanvullende vergoedingen.
In zulke gevallen spreekt men van kapitalisaties.
 
Enkele voorbeelden van kapitalisaties zijn:
  • een eenmalige betaling van alle aanvullende vergoedingen
  • een extralegale vergoeding bij brugpensioen tot 60 jaar
  • een aanvulling canada dry gedurende 1 of 2 jaar
  • een jaarlijkse, halfjaarlijkse of trimestriële aanvulling

Andere regels voor de werkgeversbijdragen en werknemersinhoudingen

Aanvullende vergoedingen bij brugpensioen, Canada Dry of tijdskrediet worden meestal op maandelijkse basis aan de betrokken werknemer uitbetaald. De berekeningsbasis voor de werkgeversbijdragen is dan ook gelijk aan het maandbedrag van de aanvullende vergoeding. Voor de werknemersinhoudingen vertrekt de berekeningsbasis van de som van de maandbedragen van de aanvullende vergoeding en de uitkering.
 
Bij kapitalisaties gelden dan ook andere regels om de bijdragen en inhoudingen te bepalen.
 
Om de bijdragen en inhoudingen in deze situaties te berekenen, vertrekt men van een theoretisch maandbedrag.
Dat theoretisch maandbedrag wordt als volgt bepaald: eerst kijkt men naar het totale bedrag aan aanvullende vergoedingen die verschuldigd zijn voor de volledige periode waarop ze betrekking hebben. Dit totaalbedrag wordt dan gedeeld door het aantal maanden, te tellen vanaf de eerste toekenningsmaand tot de maand waarin de bruggepensioneerde of werkloze de pensioenleeftijd bereikt (of tot het einde van de maximale periode waarvoor een aanvraag voor onderbrekingsuitkeringen bij tijdskrediet is ingediend).
 
Voorbeeld
 
Een bruggepensioneerde ontvangt vanaf 58 jaar een maandelijkse vergoeding van 400 euro bruto, en dit tot de pensioenleeftijd. Hij ontvangt een extra eenmalig kapitaal van 5.000 euro bruto. Hij ontvangt bovendien een extralegale vergoeding in de vorm van een jaarlijks bedrag naar rato van 1.000 euro bruto per jaar.
 
Theoretisch maandbedrag van het eenmalig kapitaal = 5.000 / 85 maanden = 58,82 euro
Theoretisch maandbedrag van de extralegale jaarlijkse aanvulling = (1.000 x 7 ) / 85 maanden = 82,35 euro

Berekening en betaling van werkgeversbijdragen en werknemersinhoudingen bij kapitalisaties

Als het theoretische maandbedrag van de aanvullende vergoeding gekend is, kunnen de maandelijks verschuldigde werkgeversbijdragen en werknemersinhoudingen berekend worden tot aan de pensioenleeftijd of tot het einde van de periode gedekt door onderbrekingsuitkeringen. De theoretische maandaanvulling wordt op die manier eigenlijk over de hele periode uitgespreid.
 
Belangrijk: bij de berekening van de maandelijks verschuldigde bijdragen en inhoudingen wordt er rekening gehouden met alle relevante factoren die bij een 'gewone' berekening ook spelen: de eventuele degressieve bijdragen, het maandelijks minimuminkomen van de begunstigde,…
Bovendien mag de werkgeversbijdrage in dit geval nooit de maandelijks betaalde aanvullende vergoeding of de som van de aanvullende vergoedingen overschrijden.
 
Nadien worden de bijdragen en inhoudingen verdeeld over het aantal nog te betalen aanvullende vergoedingen en per kwartaal aan de RSZ gestort.

Kapitalisaties indien de aanvullende vergoeding reeds voor het eerst werd toegekend vóór 1 april 2010

Indien de aanvullende vergoeding reeds voor het eerst werd toegekend vóór 1 april 2010, worden de werkgeversbijdragen en werknemersinhoudingen berekend op de effectief betaalde bedragen van de aanvullende vergoedingen. In dit geval is er dus geen sprake van spreiding.
 
Hierop geldt dan weer een uitzondering: indien het een voorafbetaling van alle aanvullende vergoedingen betreft, worden de bijdragen en inhoudingen berekend voor de gehele gedekte periode.

Bron: Titel XI, hoofdstuk 6 van de wet van 27 december 2006 zoals gewijzigd door de programmawet van 23 december 2009 en de wet houdende diverse bepalingen van 30 december 2009, wetsontwerp houdende diverse bepalingen (kamerdocument 522423/16 artikel 119 tot 122), Koninklijk Besluit van 29 maart tot uitvoering van het hoofdstuk 6 van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (1), Belgisch Staatsblad van 31 maart 2010 en ontwerpbesluit tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 29 maart 2010.